ECLI:NL:RVS:2017:1845
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens woonruimteonttrekking voor hennepkwekerij ondanks financiële situatie overtreder
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde op 16 september 2014 een bestuurlijke boete van €4.000 op aan de huurder van een woning waar hennepteelt werd geconstateerd, waardoor de woning niet langer geschikt was voor bewoning. De huurder stelde dat hij de woning had onderverhuurd en niet betrokken was bij de hennepkwekerij, maar kon dit niet bewijzen.
De rechtbank matigde de boete op €2.340 vanwege de geringe draagkracht van de huurder, die dakloos was geworden en geen bijstandsuitkering meer ontving. Het college ging in hoger beroep tegen deze matiging en voerde aan dat de financiële situatie bij wettelijk vastgestelde boetes geen rol speelt en dat andere gemeenten hogere boetes oplegden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht de boete matigde vanwege de bijzondere omstandigheden van de overtreder, waaronder zijn dakloosheid en beperkte draagkracht. De boete van €2.340 werd als evenredig beschouwd. Het hoger beroep van het college werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het college werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €495 en het griffierecht van €503 werd opgelegd. De zaak benadrukt dat ook bij wettelijk vastgestelde boetes de financiële draagkracht van de overtreder kan leiden tot matiging.
Uitkomst: Hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en boete van €2.340 bevestigd.