ECLI:NL:RVS:2017:1908
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid weigering vrijstelling mvv-vereiste voor kinderen vreemdelingen
De zaak betreft een gezin met de Egyptische nationaliteit dat ruim zes jaar in Nederland verbleef en waarvan de kinderen bijna 13 en 11 jaar oud waren ten tijde van het besluit op bezwaar. De staatssecretaris had geweigerd hen vrij te stellen van het mvv-vereiste, wat de vreemdelingen betwistten met een beroep op artikel 8 EVRM Pro over het recht op privéleven.
De rechtbank had het beroep gegrond verklaard omdat de staatssecretaris onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de bijzondere omstandigheden, zoals de bekering van de kinderen tot het Christelijk geloof en de ernstige medische situatie van de moeder. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, waarbij hij de leeftijd van de kinderen, hun langdurig verblijf en sociale binding met Nederland heeft meegewogen, maar ook de asielgerelateerde omstandigheden en de medische situatie van de moeder. De Raad concludeert dat de staatssecretaris zich niet onterecht heeft op het standpunt gesteld dat het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro.
Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdelingen ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris gehandhaafd.