ECLI:NL:RBDHA:2021:17100
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M.C. Kleijberg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf adoptiekind wegens niet voldoen aan artikel 3.27 Vb en belangenafweging EVRM artikel 8
De zaak betreft een verzoek om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor een vreemdeling die als adoptiekind wil verblijven bij zijn Nederlandse adoptiefouders. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat het adoptieverzoek was afgewezen en er geen lopende adoptieprocedure is. Nieuwe stukken die door eiser zijn overgelegd, worden niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangemerkt.
De rechtbank toetst vervolgens of de staatssecretaris een positieve verplichting heeft om op grond van artikel 8 EVRM Pro een mvv te verlenen. De belangenafweging van de staatssecretaris wordt als zorgvuldig en proportioneel beoordeeld. Er is onvoldoende objectieve of subjectieve belemmering aangetoond die het gezinsleven buiten Nederland onmogelijk maakt. Ook de belangen van het kind zijn meegewogen en leiden niet tot een andere uitkomst.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van de staatssecretaris af te wijzen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.