ECLI:NL:RVS:2017:1910

Raad van State

Datum uitspraak
14 juli 2017
Publicatiedatum
17 juli 2017
Zaaknummer
201607604/1/V2 en 201607604/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 3.1 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting

Bij besluiten van 26 augustus 2016 heeft de staatssecretaris de aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdelingen gingen in hoger beroep en verzochten tevens om een voorlopige voorziening tegen hun uitzetting, die gepland stond op 15 juli 2017.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De verzoeken om voorlopige voorzieningen werden afgewezen omdat er geen grond was om aan te nemen dat de uitzetting onrechtmatig zou zijn of niet op juiste wijze zou worden uitgevoerd.

Er werd tevens geoordeeld dat de voorzieningenrechter van de Afdeling exclusief bevoegd was om de verzoeken om voorlopige voorzieningen te behandelen en dat tegen de feitelijke uitzetting geen bezwaar openstond. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

201607604/1/V2 en 201607604/2/V2.
Datum uitspraak: 14 juli 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 30 september 2016 in zaken nrs. NL16.2307 en NL16.2308 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 26 augustus 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 30 september 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. D.P.J. Cain, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Daarnaast hebben de vreemdelingen krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen hun feitelijke uitzetting, hebben zij bezwaar gemaakt tegen de ingevolge artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 genomen besluiten van 13 juli 2017 en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht voorlopige voorzieningen te treffen. Deze verzoeken zijn door de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
De vreemdelingen hebben nadere stukken overgelegd.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.    De verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ingediend hangende het hoger beroep in de procedure over het besluit van 26 augustus 2016. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van de Afdeling, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, bij uitsluiting bevoegd om de bij de rechtbank ingediende verzoeken in behandeling te nemen en staat tegen de feitelijke uitzetting - waarvan is aangekondigd dat deze op 15 juli 2017 om 14:25 uur zal plaatsvinden - geen bezwaar open.
De door de vreemdelingen gemaakte bezwaren worden aangemerkt als een aanvulling op de ingediende verzoeken.
4.    Gelet op het hiervoor onder 1 overwogene en omdat in hetgeen de vreemdeling aan hun verzoeken ten grondslag hebben gelegd geen grond is gelegen voor het oordeel dat niet van de rechtmatigheid van de uitzetting en de wijze waarop deze wordt geëffectueerd, kan worden uitgegaan, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier.
w.g. Van der Wiel    w.g. Duyster
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2017
664.