ECLI:NL:RVS:2017:2088
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergoeding rechtsbijstand bij tweede asielaanvraag na wetswijziging
In deze zaak heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de door de raad voor rechtsbijstand toegekende vergoeding voor rechtsbijstand bij een beroep tegen de afwijzing van een opvolgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. De vergoeding werd toegekend op basis van twee punten, conform het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) zoals gewijzigd per 1 januari 2014.
Appellante betoogde dat het systeem van vergoedingen willekeurig en onredelijk is, omdat de vergoeding afhankelijk is van het moment waarop de staatssecretaris een besluit neemt. Hierdoor zou zij benadeeld zijn omdat de staatssecretaris het besluit had uitgesteld, waardoor zij niet onder het oude vergoedingensysteem viel. De rechtbank oordeelde echter dat de raad terecht de vergoeding op basis van twee punten had toegekend, omdat de toevoeging na 1 januari 2014 was afgegeven.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Tevens overweegt de Afdeling dat het betoog dat artikel 5a, zesde lid, van het Bvr onredelijk is, buiten beschouwing blijft omdat dit niet tijdig bij de rechtbank is aangevoerd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de vergoeding op basis van twee punten is bevestigd.