ECLI:NL:RVS:2017:1970
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding rechtsbijstand bij tweede asielaanvraag in bestuursrechtelijke procedure
De zaak betreft een geschil over de vergoeding voor rechtsbijstand verleend door een advocaat aan een cliënt in een vervolgaanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De Raad voor Rechtsbijstand kende een vergoeding toe van €256,42, gebaseerd op twee punten volgens artikel 5a, vijfde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr), omdat de aanvraag werd afgewezen.
De rechtbank had geoordeeld dat de advocaat geen rechten kon ontlenen aan het besluit tot toevoeging en dat toepassing van het Bvr niet in strijd was met het Unierecht. De advocaat stelde dat het besluit tot toevoeging als een beschikking tot subsidieverlening moest worden gezien en dat de vergoeding op basis van zeven punten moest worden vastgesteld. Dit werd door de Raad van State verworpen, die oordeelde dat het besluit tot toevoeging niet als subsidieverlening kwalificeert en dat de vergoeding terecht op basis van twee punten is vastgesteld.
Verder voerde de advocaat aan dat de vergoedingensystematiek in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en dat de vergoeding onvoldoende was om kwalitatief goede rechtsbijstand te waarborgen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de regeling een forfaitair karakter heeft, gebaseerd is op een redelijke belangenafweging en voorzien is van monitoring om kwaliteit te waarborgen. Ook werd geoordeeld dat het beginsel van effectieve rechtsbescherming, het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel niet zijn geschonden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een verbetering van de motivering.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de forfaitaire vergoeding van €256,42 wordt bevestigd.