ECLI:NL:RVS:2017:2101
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.D.M. van Diepenbeek
- D.J.C. van den Broek
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012 voor recreatieobjecten wegens onvoldoende motivering en strijd met Verordening Ruimte 2014
De raad van de gemeente Rucphen stelde op 16 december 2015 het bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2012, 3e herziening" vast, waarin onder meer de regeling voor recreatieobjecten en agrarische bedrijven in het buitengebied werd opgenomen. Tegen dit besluit werd beroep ingesteld door de Stichting Brabantse Milieufederatie (BMF) en meerdere appellanten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het beroep van appellant sub 4 en anderen niet-ontvankelijk is omdat zij geen zienswijze hadden ingediend over de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden, behalve appellant sub 4C wiens zienswijze niet betrekking had op de bestreden onderdelen. Ten aanzien van de regeling voor veehouderijen stelde de Afdeling de behandeling aan vanwege lopende prejudiciële vragen bij het Hof van Justitie.
De Afdeling beoordeelde uitvoerig de regeling voor recreatieobjecten. De raad had recreatieobjecten met verleende bouwvergunningen of toestemmingen bestemd als "recreatiewoning" en voor overige objecten een uitsterfregeling opgenomen. BMF betoogde dat deze regeling in strijd is met de provinciale Verordening Ruimte 2014 (VR 2014), met name omdat de recreatieobjecten in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) liggen en nieuwvestiging verboden is.
De Afdeling stelde vast dat de raad onvoldoende had gemotiveerd of alle recreatieobjecten als bestaand in de zin van de VR 2014 kunnen worden aangemerkt, mede vanwege het beleid uit 1979 dat niet handhavend zou worden opgetreden tegen bouwwerken van vóór 9 maart 1972, tenzij deze zonder vergunning waren gewijzigd. Hierdoor is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling vernietigde het besluit voor zover het de recreatieobjecten betreft en droeg de raad op binnen 26 weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werden proceskosten toegekend aan enkele appellanten.
De Afdeling wees verder op de noodzaak het dictumonderdeel over de vernietiging binnen vier weken te verwerken in de landelijke voorziening. De behandeling van overige onderdelen werd geschorst in afwachting van de prejudiciële vragen.
Uitkomst: Het bestemmingsplan wordt vernietigd voor zover het recreatieobjecten betreft en het beroep van appellant sub 4 en anderen wordt niet-ontvankelijk verklaard.