ECLI:NL:RVS:2017:2133
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging educatieve maatregel alcohol en verkeer na betwisting alcoholgebruik tijdens autorijden
Op 2 februari 2016 werd appellant door de politie aangesproken na het parkeren van zijn auto. Bij een ademanalyse werd een alcoholpromillage van 615 µg/l vastgesteld, wat boven de wettelijke limiet ligt. Het CBR legde daarop een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) op, omdat appellant onder invloed van alcohol aan het verkeer zou hebben deelgenomen.
Appellant betwistte dat hij onder invloed had gereden en stelde dat hij pas na thuiskomst alcohol had gedronken. De rechtbank oordeelde echter dat het CBR terecht aannam dat appellant al vóór thuiskomst, tijdens het inparkeren, onder invloed was. Dit oordeel was gebaseerd op het proces-verbaal waarin appellant verklaarde die avond geen alcohol te hebben gedronken, en de waarneming van alcohollucht door de politie.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet had gezegd die avond geen alcohol te hebben gedronken, maar de voorgaande avond, en dat hij slechts na thuiskomst alcohol had genuttigd. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp dit verweer, stellende dat verklaringen tegenover opsporingsambtenaren in beginsel betrouwbaar zijn en dat appellant geen bijzondere omstandigheden had gesteld die een uitzondering rechtvaardigen. Ook was het niet aannemelijk dat appellant na thuiskomst meerdere glazen wodka had gedronken zonder dit direct te melden.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de oplegging van de educatieve maatregel alcohol en verkeer omdat appellant onder invloed van alcohol heeft gereden.