ECLI:NL:RVS:2017:2251
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- B.P. Vermeulen
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing zorg- en huurtoeslag wegens ontbreken rechtmatig verblijf in 2013
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om haar zorg- en huurtoeslag over 2013 definitief op nihil vast te stellen en de reeds uitbetaalde voorschotten terug te vorderen. De Belastingdienst baseerde dit op informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over haar verblijfsrechtelijke status.
De verblijfsvergunning van appellant was geldig tot 1 november 2011 en haar aanvraag tot verlenging en wijziging van de verblijfsvergunning werd afgewezen. Hoewel de rechtbank Den Haag een eerdere afwijzing vernietigde, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit hoger beroep van appellant ongegrond verklaard, waardoor appellant in 2013 geen rechtmatig verblijf had op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State oordeelt dat appellant geen aanspraak kan maken op zorg- en huurtoeslag over 2013 omdat zij niet voldeed aan de vereiste van aansluitend rechtmatig verblijf zoals bedoeld in artikel 9 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Het beroep van appellant faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van zorg- en huurtoeslag over 2013 bevestigd.