ECLI:NL:RVS:2014:1574
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling weigering wijziging verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na mensenhandel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor wijziging van de beperking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen. De rechtbank had dit besluit vernietigd en de zaak terugverwezen voor heroverweging. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State overweegt dat de staatssecretaris voldoende onderzoek en motivering heeft verricht omtrent de opvang- en hervestigingsmogelijkheden in Nigeria voor de vreemdeling en haar minderjarige kinderen, en dat de medische situatie van de zoon en het risico op besnijdenis van de dochter niet zodanig zijn dat verblijf in Nederland gerechtvaardigd is. Tevens is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico op represailles bestaat.
De Raad oordeelt dat de vreemdeling geen recht heeft op voortgezet verblijf op grond van artikel 3.52 van het Vreemdelingenbesluit 2000, ook niet op basis van de relevante Europese richtlijnen, aangezien de samenwerking met autoriteiten is beëindigd. De maatschappelijke positie van vrouwen en de zorg voor de kinderen in Nigeria vormen geen grond voor verblijf.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wordt vastgesteld dat de afwijzing niet leidt tot een schending van artikel 8 EVRM Pro omdat uitzetting van de kinderen en vreemdeling achterwege blijft.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de weigering van wijziging van de verblijfsvergunning bevestigd.