ECLI:NL:RVS:2017:2308
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand bij ontbinding huurovereenkomst bedrijfsruimte
De appellant exploiteerde een café in een pand te Amsterdam en kreeg een dagvaarding tot ontbinding van de huurovereenkomst. Hij verzocht de raad voor rechtsbijstand om een toevoeging voor rechtsbijstand, welke werd afgewezen omdat het verzoek betrekking had op een zelfstandig beroep en de onderneming zich elders kon vestigen zonder dat dit als bedrijfsbedreigend werd aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat ontbinding van de huurovereenkomst per definitie bedrijfsbedreigend is en dat hij financieel niet in staat was elders voort te zetten, waardoor de afwijzing onterecht was. Tevens stelde hij dat de raad in strijd met het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel handelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de werkinstructie van de raad in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en dat rechtsbijstandskosten voortvloeiend uit bedrijfsvoering voor rekening van de ondernemer zijn. De Afdeling oordeelde dat de raad terecht de aanvraag heeft afgewezen en dat het gelijkheidsbeginsel niet meebrengt dat een bestuursorgaan een eerdere fout moet herhalen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand bevestigd.