ECLI:NL:RVS:2017:2359
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toeslagpartnerschap bij kindgebonden budget ondanks huurovereenkomst
Appellante ontving voor 2015 en 2016 voorschotten kindgebonden budget van de Belastingdienst/Toeslagen. De Belastingdienst stelde dat haar moeder als toeslagpartner moest worden aangemerkt omdat zij samen op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Appellante voerde aan dat zij haar moeder op zakelijke gronden een gedeelte van haar woning verhuurde, ondersteund door een huurovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat de huurovereenkomst onvoldoende specifiek was: het ontbrak aan een duidelijk adres en de omvang van het verhuurde gedeelte was onduidelijk. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat er sprake was van zakelijke verhuur. De Raad van State bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Ook de kwitanties en bankafschriften boden onvoldoende bewijs dat de verhuur zakelijk was; betalingen werden eerder gezien als bijdragen aan een gemeenschappelijke huishouding.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat de moeder van appellante terecht als toeslagpartner was aangemerkt en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de moeder van appellante blijft als toeslagpartner aangemerkt.