ECLI:NL:RVS:2017:244
Raad van State
- Hoger beroep
- P.J.J. van Buuren
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplichting tot rijgeschiktheidsonderzoek na overtreding alcoholnorm
Appellant werd op 22 april 2015 aangehouden met een ademalcoholgehalte van 560 µg/l, wat hoger is dan het toegestane maximum van 435 µg/l. Het CBR legde hem daarom een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op, omdat hij niet in aanmerking kwam voor een educatieve maatregel vanwege onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal.
Appellant betwistte de maatregel en voerde aan dat het onderzoek een te zware sanctie is, dat het vermoeden van ongeschiktheid niet is vastgesteld en dat het CBR mogelijk valsheid in geschrifte heeft gepleegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Raad van State bevestigt deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het CBR terecht het vermoeden van ongeschiktheid heeft vastgesteld op grond van het hoge alcoholgehalte en dat het opleggen van het onderzoek in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen. Persoonlijke omstandigheden en kosten kunnen niet leiden tot afwijking van deze maatregel. Ook is onvoldoende gebleken van onrechtmatigheden in de besluitvorming door het CBR.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het CBR-besluit tot oplegging van het rijgeschiktheidsonderzoek bevestigd.