ECLI:NL:RVS:2017:2536
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens herberekening huurtoeslag na erkenning zorgbehoefte medebewoner
De appellant had voor de jaren 2013 en 2014 huurtoeslag aangevraagd, die aanvankelijk werd toegekend. De Belastingdienst/Toeslagen herzag deze toeslag echter bij besluiten van januari 2016 en stelde deze vast op nihil vanwege een te hoog gezamenlijk toetsingsinkomen, waarbij het inkomen van de meerderjarige dochter met een lichamelijke en verstandelijke beperking werd meegeteld.
De kern van het geschil betrof de vraag of de dochter buiten beschouwing moest worden gelaten op grond van artikel 2a van het Besluit op de huurtoeslag, dat een medebewoner met een zorgbehoefte uitsluit van het inkomenstoets. De rechtbank oordeelde dat de door appellant overgelegde CIZ-verklaringen onvoldoende waren om de zorgbehoefte aan te tonen, waardoor het inkomen van de dochter meetelde.
Tijdens de zitting bij de Afdeling bestuursrechtspraak stelde appellant dat de Belastingdienst voor 2015 het inkomen van de dochter niet had meegeteld, wat werd bevestigd door een besluit van juni 2017. De Belastingdienst gaf vervolgens aan dat ook voor 2013 en 2014 de dochter buiten beschouwing moest worden gelaten en dat de toeslag opnieuw zou worden berekend.
De Afdeling oordeelde dat hiermee volledig aan appellant was tegemoetgekomen en dat er geen belang meer was bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de Belastingdienst tegemoet is gekomen door de toeslag opnieuw te berekenen zonder het inkomen van de zorgbehoevende dochter mee te tellen.