ECLI:NL:RVS:2017:2547
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging dwangsominvordering wegens onrechtmatige last onder dwangsom recreatiewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Ede legde aan appellant een last onder dwangsom op om het gebruik van een recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan te beëindigen. Appellant verhuurde de recreatiewoning als woonruimte zonder omgevingsvergunning, wat volgens het college strijdig was met het bestemmingsplan. Na bezwaar en beroep verklaarden de rechtbank en het college de invordering van de dwangsom terecht.
Appellant stelde in hoger beroep dat de last onvoldoende concreet was en dat het bestemmingsplan niet het verhuren of bewonen van de recreatiewoning verbiedt, maar slechts de permanente bewoning. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat appellant tegen het oorspronkelijke besluit tot oplegging van de last geen rechtsmiddelen had aangewend, waardoor dat besluit rechtmatig is. Echter, in een gelijktijdige zaak oordeelde de Afdeling dat de aan appellant opgelegde last onder dwangsom onrechtmatig is.
Gezien de feitelijke situatie en het toepasselijke bestemmingsplan achtte de Afdeling het college niet bevoegd om tot invordering over te gaan. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college vernietigd, en het besluit tot invordering herroepen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot invordering van de dwangsom wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.