ECLI:NL:RVS:2017:2584
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit raad voor rechtsbijstand over niet-intrekking toevoeging na echtscheiding
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland die het beroep ongegrond verklaarde tegen het besluit van de raad voor rechtsbijstand om de toevoeging voor rechtsbijstand aan belanghebbende niet met terugwerkende kracht in te trekken. De toevoeging was verleend voor een echtscheidingsprocedure die leidde tot een beschikking van de rechtbank Gelderland van 6 maart 2015.
De raad toetst na afloop van de procedure het financiële resultaat dat de rechtszoekende uit de zaak heeft behaald. Hoewel de echtscheidingsbeschikking voorzag in verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de opbrengst, is de woning uiteindelijk niet verkocht maar door belanghebbende overgenomen. Hierdoor heeft zij geen geldsom ontvangen, maar wel een vordering op de opbrengst gehad. De raad heeft de toevoeging in stand gelaten omdat het resultaat onder de wettelijke grens bleef en vermogen in Box 1 (eigen woning) niet tot het resultaat wordt gerekend.
Appellant stelde dat de raad onterecht niet met terugwerkende kracht heeft ingetrokken, omdat de procedure definitief was afgerond en de woning niet verkocht was. De Afdeling oordeelde dat de raad mocht uitgaan van de echtscheidingsbeschikking als uitgangspunt voor de beoordeling en dat de afwijking in feitelijke situatie billijk was. De inzet van belanghebbende was steeds om de woning te verwerven, wat haar ook gelukt is vóór de inschrijving van de echtscheiding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat de toevoeging voor rechtsbijstand terecht niet met terugwerkende kracht is ingetrokken.