ECLI:NL:RVS:2017:2588

Raad van State

Datum uitspraak
27 september 2017
Publicatiedatum
27 september 2017
Zaaknummer
201608750/1/A1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Afvalstoffenverordening 2010Art. 5:1 AwbArt. 9 Afvalstoffenverordening 2010Art. 5:1, tweede lid, Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen kostenverhaal bestuursdwang bij onjuist aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 23 augustus 2016 spoedeisende bestuursdwang toegepast door het verwijderen van een huisvuilzak die naast een ondergrondse restafvalcontainer was aangetroffen. In de zak bevond zich een poststuk met naam en adres van appellant, waarop het college baseerde dat appellant de zak onjuist had aangeboden in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010.

Appellant voerde aan dat het poststuk mogelijk verkeerd bezorgd was en dat hij zijn afval altijd op de juiste wijze aanbiedt. Hij stelde dat hij persoonlijke documenten versnipperde en verspreidde over verschillende zakken, waardoor het onwaarschijnlijk was dat de zak van hem afkomstig was.

De Raad van State oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet de overtreder was. Het college mocht op grond van de adressering van het poststuk aannemen dat appellant de zak onjuist had aangeboden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat de gebruiker van een perceel verantwoordelijk is voor het juiste aanbieden van afval en dat het college kosten van bestuursdwang mag verhalen als dit niet wordt nageleefd.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het kostenverhaal van bestuursdwang wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201608750/1/A1.
Datum uitspraak: 27 september 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Den Haag,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2016 heeft het college zijn beslissing om op 23 augustus 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte, te weten een bedrag van € 126,00, van de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellant] komt.
Bij besluit van 3 november 2016 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2017, waar het college, vertegenwoordigd door S.E. el Boustati, is verschenen.
Overwegingen
1.    Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening kan het college aanwijzen via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via de betreffende inzamelvoorziening.
2.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op 23 augustus 2016 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) ter hoogte van de woning aan de [locatie] te Den Haag. Omdat in de zak een poststuk is aangetroffen dat volgens het college herleidbaar is tot [appellant], stelt het college zich op het standpunt dat de zak van hem afkomstig is en dat hij deze in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening ter inzameling heeft aangeboden.
3.    [appellant] betoogt dat hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt. Hij voert aan dat het onmogelijk is dat een vuilniszak met daarin een aan hem geadresseerd poststuk is aangetroffen, nu hij ieder papieren stuk met daarop namen, adressen of andere gegevens van zijn gezinsleden tot miniscule snippers scheurt en deze verspreidt over verschillende vuilniszakken. Bovendien stelt hij nimmer huisvuil buiten de daartoe bestemde ORAC aan te bieden. Mogelijk is het aangetroffen poststuk verkeerd bezorgd en heeft een buurtbewoner dit weggegooid met zijn of haar huisvuil.
4.    Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 1 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT6561 zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.
5.    Vaststaat dat op 23 augustus 2016 naast een ORAC ter hoogte van de woning aan de [locatie] te Den Haag een huisvuilzak is aangetroffen met daarin een poststuk. Op het poststuk zijn de naam en het adres van [appellant] vermeld. Het college heeft zich, gelet op de adressering, terecht op het standpunt gesteld dat dit poststuk herleidbaar is tot [appellant].
[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de huisvuilzak niet door hem verkeerd ter inzameling is aangeboden, omdat het aangetroffen poststuk abusievelijk zou zijn bezorgd bij een buurtbewoner en deze het poststuk in de huisvuilzak heeft gedaan en deze verkeerd ter inzameling heeft aangeboden. De stelling van [appellant] dat hij zijn huisvuil altijd op juiste wijze aanbiedt is eveneens onvoldoende om aannemelijk te achten dat niet hij degene is geweest die de huisvuilzak op onjuiste wijze heeft aangeboden. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt en niet een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor zijn rekening kon brengen.
6.    Het beroep is ongegrond.
7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Drop    w.g. Verbeek
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2017
574.