ECLI:NL:RVS:2017:2612
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer door CBR na verkeersgedragingen
Het CBR legde op 4 augustus 2015 aan appellant een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op vanwege vermoedens dat hij niet langer voldeed aan de rijvaardigheidseisen. Dit vermoeden was gebaseerd op een proces-verbaal van bevindingen en een verhoor van appellant, waarin werd vastgesteld dat hij in de nacht van 3 op 4 juni 2015 herhaaldelijk verkeersovertredingen beging.
Appellant betwistte dat hij de bestuurder was en voerde verklaringen aan van twee bekenden die stelden dat zij de bestuurder waren. De rechtbank oordeelde echter dat het CBR terecht uitging van de juistheid van het proces-verbaal, mede omdat de verbalisant appellant met honderd procent zekerheid herkende tijdens de achtervolging. De verklaringen van de bekenden werden als onvoldoende geloofwaardig beoordeeld.
In hoger beroep bevestigde de Raad van State deze beoordeling. De Raad stelde dat het CBR en de rechtbank mochten uitgaan van de juistheid van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, tenzij tegenbewijs overtuigt. De aangevoerde verklaringen boden onvoldoende objectieve aanknopingspunten om aan de waarneming van de verbalisant te twijfelen. Ook de omstandigheden, zoals het adres op een poststuk in het voertuig en het ontbreken van een deugdelijke verklaring van appellant, ondersteunden de conclusie dat appellant de bestuurder was.
De Raad concludeerde dat het CBR met voldoende mate van zekerheid heeft vastgesteld dat appellant de bestuurder was en dat het opleggen van de EMG terecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit van het CBR tot oplegging van de Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer aan appellant.