ECLI:NL:RVS:2017:2645
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
Appellant, eigenaar van een beveiligingsorganisatie, verzocht om toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. De korpschef onthield deze toestemming op grond van een serieuze verdenking van fiscale fraude, waarbij appellant als eigenaar en leidinggevende betrokken zou zijn geweest.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat appellant onvoldoende betrouwbaar was. De verdenking van fiscale fraude werd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde gezien, wat de betrouwbaarheid voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ondermijnt.
Appellant voerde aan dat hij geen dagvaarding had ontvangen en dat de verdenking onvoldoende was, maar trok zijn beroepsgrond over de hardheidsclausule in. De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en stelde dat de korpschef beoordelingsruimte heeft bij de betrouwbaarheidstoets, waarbij hogere eisen gelden voor beveiligingsmedewerkers.
De Raad van State concludeerde dat de korpschef terecht toestemming heeft onthouden en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid van appellant.