ECLI:NL:RBDHA:2023:3739
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering toestemming tewerkstelling vanwege twijfel aan betrouwbaarheid beveiliger
Eiser wilde stage lopen bij een beveiligingsbedrijf en vroeg toestemming aan volgens artikel 7 van Pro de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Verweerder weigerde deze toestemming omdat eiser verdacht werd van een ernstig strafbaar feit (mishandeling) en in criminele kringen zou verkeren.
Eiser voerde aan dat hij onschuldig is, een alibi heeft en dat de weigering onevenredig is omdat hij zijn opleiding niet kan voortzetten zonder stageplek. Verweerder baseerde het besluit mede op een e-mail van de officier van justitie waarin vervolging werd aangekondigd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de betrouwbaarheid van eiser in twijfel trok vanwege de lopende strafzaak en dat de onschuldpresumptie niet verhinderde dat dit meegewogen mocht worden. Het belang van een betrouwbare beveiligingsbranche weegt zwaarder dan het persoonlijke belang van eiser.
De rechtbank vond dat verweerder de beoordelingsruimte correct heeft benut en dat het evenredigheidsbeginsel niet werd geschonden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toestemming voor tewerkstelling bij een beveiligingsorganisatie wordt ongegrond verklaard.