ECLI:NL:RVS:2017:2734
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek buiten beschouwing laten inkomen meerderjarige dochter bij huurtoeslag
In deze zaak heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om het inkomen van haar meerderjarige dochter mee te rekenen bij de vaststelling van haar huurtoeslag over 2014. De dochter stond ingeschreven op hetzelfde adres, waardoor zij als medebewoner werd aangemerkt. Het gezamenlijke toetsingsinkomen overschreed de maximale inkomensgrens van €44.450, waardoor het verzoek om het inkomen van de dochter buiten beschouwing te laten werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Appellante voerde aan dat de verhuurder het medehuurderschap van haar dochter had geweigerd en dat zij daardoor in financiële problemen was gekomen. Tevens stelde zij dat sprake was van ongelijke behandeling ten opzichte van gehuwden en geregistreerde partners, en dat de redelijke termijn voor bezwaarbehandeling was overschreden.
De Afdeling oordeelde dat de weigering van medehuurderschap en de betalingsproblemen geen grond zijn om het inkomen van de dochter buiten beschouwing te laten, omdat dit de rechtsverhouding tussen partijen betreft en niet de wettelijke criteria. Ook werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen omdat geen vergelijkbare gevallen waren aangevoerd. De Afdeling stelde dat de bezwaarprocedure binnen de redelijke termijn was behandeld en dat het systeem van voorschotten en terugvorderingen rechtmatig is.
Geconcludeerd werd dat de Belastingdienst terecht het inkomen van de dochter heeft betrokken bij de huurtoeslagberekening en dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.