ECLI:NL:RVS:2017:2745

Raad van State

Datum uitspraak
11 oktober 2017
Publicatiedatum
11 oktober 2017
Zaaknummer
201608635/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 Wet bodembeschermingArt. 39 Wet bodembeschermingArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit instemming saneringsplan Rhoonse stort wegens motiveringsgebrek

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland stemde bij besluit van 4 november 2016 in met een saneringsplan voor de Rhoonse stort, een locatie met sterk verontreinigd stortmateriaal. De Stichting Bomenridders Albrandswaard, een inwoner van Rhoon en de Vereniging Agrarische Belangen IJsselmonde stelden beroep in tegen dit besluit.

De stichting betoogde dat de sanering onnodig en disproportioneel was omdat een kenmerkende bomenrij gekapt zou worden zonder herplant, en dat alternatieve saneringsmethoden mogelijk waren. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat toetsing aan andere wet- en regelgeving dan de Wet bodembescherming bij het besluit over het saneringsplan niet aan de orde was en verwierp dit betoog.

De andere appellanten stelden dat het college ten onrechte niet had gereageerd op hun zienswijzen, wat een motiveringsgebrek opleverde in strijd met artikel 3:46 Awb Pro. Dit werd door de Afdeling bevestigd, waardoor het besluit werd vernietigd. Het college vulde de motivering later aan, waarna de Afdeling de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand liet.

Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend behalve de griffierechten aan de appellanten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 11 oktober 2017.

Uitkomst: Het besluit tot instemming met het saneringsplan is vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

201608635/1/A1.
Datum uitspraak: 11 oktober 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.    Stichting Bomenridders Albrandswaard (hierna: de stichting), gevestigd te Albrandswaard,
2.    [appellant sub 2], wonend te Rhoon, gemeente Albrandswaard,
3.    Vereniging Agrarische Belangen IJsselmonde (hierna: de vereniging), gevestigd te Barendrecht,
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2016 heeft het college ingestemd met een door de provincie Zuid-Holland ingediend saneringsplan voor de Rhoonse stort, gelegen aan de Zegenpoldersedijk te Rhoon (hierna: de locatie).
Tegen dit besluit hebben de stichting, [appellant sub 2] en de vereniging beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De stichting en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2017, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. M. van Duijn, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.C.S. Warendorf, F.J. van der Ham, drs. A.M. Ticheler, ing. T.M. Schuring-Beindorff, ing. H.W. Hermans en ing. W. Cornelissen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    Op de locatie is tot eind jaren zestig huishoudelijk afval en bedrijfsafval, waaronder afval uit de petrochemische industrie, gestort. Aan het eind van de jaren zestig is de stortplaats afgedekt met een laag puin en slib en is het gebied ingericht als natuur- en recreatiegebied. Uit diverse bodemonderzoeken is gebleken dat het stortmateriaal sterk tot zeer sterk verontreinigd is met onder meer zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en minerale olie. Ook in de afdeklaag van de stortplaats zijn plaatselijk sterke verontreinigingen aangetroffen. De huidige ontoereikende afdekking van het stortmateriaal leidt tot onaanvaardbare ecologische risico’s op de locatie. Het saneringsplan waarmee bij het besluit van 4 november 2016 is ingestemd voorziet daarom in het aanbrengen van een leeflaag met een dikte van 50 cm.
Het beroep van de stichting
2.    De stichting kan zich niet verenigen met het besluit tot instemming met het saneringsplan, omdat bij de gekozen wijze van sanering een kenmerkende bomenrij van ongeveer 1.200 m lang en 50 m breed wordt gekapt, zonder dat ter plaatse herplant plaatsvindt. Er had volgens de stichting gekozen moeten worden voor een alternatieve wijze van sanering, waarbij de bomenrij geheel of gedeeltelijk kan blijven staan of herplant kan plaatsvinden. Volgens de stichting blijkt uit een advies van de Werkgroep Rhoonse Stort, waarbij onder meer de provincie betrokken was, dat in zoverre alternatieven bestaan. De stichting voert verder aan dat van een daadwerkelijke en effectieve sanering geen sprake is, aangezien de verontreiniging niet wordt verwijderd. Dit maakt het verdwijnen van de kenmerkende bomenrij onnodig en disproportioneel, aldus de stichting. De stichting acht het besluit tot instemming met het saneringsplan verder in strijd met onder meer natuurbeschermingsregels, het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, ook wel het Verdrag van Malta genoemd.
2.1.    Artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming luidt:
"Degene die de bodem saneert, voert de sanering zodanig uit dat:
a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;
b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;
c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39c en artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt."
Artikel 39, tweede lid, luidt, voor zover hier van belang:
"Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde Pro. Gedeputeerde staten kunnen hun instemming aan het plan onthouden, indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid."
2.2.    De Afdeling stelt voorop dat uit artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming volgt dat het college uitsluitend instemming aan het saneringsplan mag onthouden indien de daarin beschreven sanering niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 38 of Pro indien het saneringsplan niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 39, eerste lid. Toetsing aan andere wet- of regelgeving, zoals het bestemmingsplan, natuurbeschermingsregels of regels ter bescherming van archeologisch erfgoed, kan bij de beslissing over instemming met een saneringsplan niet aan de orde zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0959).
2.3.    Ingevolge artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming dient de sanering zodanig uitgevoerd te worden dat de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt. De door de provincie beoogde functie van de locatie na sanering is grasland en extensieve recreatie. Het college heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het isoleren van de verontreiniging op de locatie met een leeflaag van 50 cm afdoende is om bij die beoogde functie te voldoen aan artikel 38 van Pro de Wet bodembescherming en dat verwijdering van de verontreiniging daarvoor niet noodzakelijk is. Hetgeen de stichting aanvoert, geeft geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. Dat een leeflaag van 50 cm bij de beoogde functie, waarbij geen bomen zijn voorzien, te dun zou zijn om de verontreiniging afdoende te isoleren, heeft de stichting niet aannemelijk gemaakt. De stichting acht de beoogde functie en het verdwijnen van de bomen op de locatie onjuist en onverenigbaar met andere wet- en regelgeving, maar dat kan, zoals hiervoor is overwogen, in deze procedure op grond van de Wet bodembescherming niet aan de orde zijn.
Het betoog faalt.
De beroepen van [appellant sub 2] en de vereniging
3.    [appellant sub 2] en de vereniging hebben in beroep aangevoerd dat het college in de Notitie Zienswijzen bij het besluit van 4 november 2016 ten onrechte niet is ingegaan op de door hen over het ontwerpbesluit naar voren gebrachte zienswijzen.
3.1.    Het college heeft erkend dat het ten onrechte heeft nagelaten in te gaan op de door [appellant sub 2] en de vereniging naar voren gebrachte zienswijzen. Het besluit van 4 november 2016 berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet op een deugdelijke motivering.
Het betoog slaagt.
Conclusie
4.    Het beroep van de stichting is ongegrond. De beroepen van [appellant sub 2] en de vereniging zijn gegrond. Het besluit van 4 november 2016 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb.
Bij brief van 18 januari 2017 heeft het college de motivering van het besluit van 4 november 2016 aangevuld door in te gaan op de door [appellant sub 2] en de vereniging naar voren gebrachte zienswijzen. [appellant sub 2] en de vereniging hebben de juistheid van de alsnog door het college gegeven reactie op hun zienswijzen niet betwist. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het aan het besluit van 4 november 2016 klevende motiveringsgebrek met de brief van 18 januari 2017 is hersteld. De Afdeling ziet daarom aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 4 november 2016 geheel in stand te laten.
5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het beroep van Stichting Bomenridders Albrandswaard ongegrond;
II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en Vereniging Agrarische Belangen IJsselmonde gegrond;
III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 4 november 2016, kenmerk 99994308_9999214606;
IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
V.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt;
gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan Vereniging Agrarische Belangen IJsselmonde het door haar voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.
w.g. Wortmann    w.g. Van Grinsven
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2017
462.