Eiser kreeg een last onder bestuursdwang opgelegd om zijn vaartuig binnen vijf dagen te verwijderen van een provinciale vaarweg, de Oude Rijn, waarop een algemeen afmeerverbod geldt. Na overtreding werd het vaartuig op 31 januari 2024 weggesleept en werden de kosten van €1873,08 op eiser verhaald.
Eiser voerde aan dat hij geen overtreding had begaan, dat hij geen last onder bestuursdwang had ontvangen, dat het vaartuig niet meer zijn eigendom was en dat de kosten te hoog en niet evenredig waren. De rechtbank oordeelde dat de last onder bestuursdwang correct was bekendgemaakt en dat eiser als gebruiker de overtreder was. De kosten waren voldoende gespecificeerd, maar de rechtbank vond dat de situatie van eiser niet gelijk was aan die van een ander vergelijkbaar geval, waardoor het oorspronkelijke kostenbedrag niet evenredig was.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en stelde de te verhalen kosten vast op €500. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit.