ECLI:NL:RVS:2017:2866

Raad van State

Datum uitspraak
25 oktober 2017
Publicatiedatum
25 oktober 2017
Zaaknummer
201701071/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 26 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering teveel ontvangen kinderopvangtoeslag over 2013

In deze zaak heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 12 februari 2016 de kinderopvangtoeslag van appellante over 2013 definitief vastgesteld en een bedrag van €1.443,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd. Appellante voerde aan dat zij de toeslag niet zelf had ontvangen, maar dat deze aan de kinderopvanginstelling was betaald, en dat zij door de gemeente verplicht was te werken, waardoor zij haar kind moest laten opvangen.

De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat op grond van artikel 26 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) de belanghebbende, hier appellante als aanvrager van de toeslag, het bedrag van de terugvordering volledig verschuldigd is. Er is geen wettelijke grond om van terugvordering af te zien of deze aan een ander dan de belanghebbende op te leggen.

De Raad van State concludeert dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Belastingdienst de teveel ontvangen voorschotten terecht heeft teruggevorderd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De terugvordering van teveel ontvangen kinderopvangtoeslag over 2013 door de Belastingdienst wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard.

Uitspraak

201701071/1/A2.
Datum uitspraak: 25 oktober 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 december 2016 in zaak nr. 16/6598 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over het jaar 2013 definitief vastgesteld op € 1.736,00 en € 1.443,00 aan teveel ontvangen voorschotten van haar teruggevorderd.
Bij besluit van 5 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 20 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.
Overwegingen
1.    [appellante] heeft over het jaar 2013 voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen voor de opvang van haar dochter. De Belastingdienst/Toeslagen heeft deze voorschotten deels van [appellante] teruggevorderd, omdat zij minder uren opvang heeft afgenomen dan waarvoor de voorschotten zijn verleend.
2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen de teveel ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag ten onrechte van haar terugvordert, nu zij de toeslag niet zelf heeft ontvangen maar deze is betaald aan de kinderopvanginstelling. Bovendien was zij door de gemeente Zoetermeer verplicht om te gaan werken, waardoor zij haar kind moest laten opvangen. Niet meewerken zou resulteren in het verlies van haar uitkering, aldus [appellante].
3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1785) is in artikel 26 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) dwingend voorgeschreven dat, indien een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag, zoals in dit geval, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien of van een ander dan de belanghebbende kan terugvorderen. Nu [appellante] als aanvrager van de kinderopvangtoeslag de belanghebbende als bedoeld in voormelde bepaling is, is zij - ook al was zij genoodzaakt haar kind op te laten vangen, omdat de gemeente haar heeft verplicht om te gaan werken - gehouden de ten onrechte uitbetaalde voorschotten over 2013 aan de Belastingdienst/Toeslagen terug te betalen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de teveel ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag over 2013 terecht van [appellante] heeft teruggevorderd.
Het betoog faalt.
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.
w.g. Van Altena    w.g. Van Dokkum
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2017
480-834.