ECLI:NL:RVS:2017:3036
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- R. van der Spoel
- B.P. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling arbeid zonder tewerkstellingsvergunning bij praktikant in hoger beroep
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [wederpartij] een boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder geldige tewerkstellingsvergunning (twv). De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond en vernietigde het boetebesluit, stellende dat de minister niet had aangetoond dat sprake was van arbeid in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
In hoger beroep betoogde de minister dat het trainingsprogramma, de stageovereenkomst en verklaringen van betrokkenen aantonen dat de vreemdeling arbeid heeft verricht. De Raad van State overwoog dat het volgen van het trainingsprogramma en het verrichten van werkzaamheden, waaronder het bijwonen van klantafspraken, kwalificeert als arbeid in de zin van de Wav. De minister had hiermee zijn bewijslast voldoende vervuld.
Het beroep van [wederpartij] op matiging van de boete wegens vermeende goede trouw werd verworpen, omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij alles had gedaan om de overtreding te voorkomen en de IND haar niet had medegedeeld dat de vreemdeling zonder twv mocht werken.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van [wederpartij] ongegrond. De boete blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt dat de vreemdeling zonder geldige tewerkstellingsvergunning arbeid heeft verricht, waardoor de boete terecht is opgelegd.