ECLI:NL:RVS:2017:3121
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- G. Snijders
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na onrechtmatige intrekking verblijfsvergunning
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding wegens gederfde inkomsten na de onrechtmatige intrekking van zijn verblijfsvergunning in 2007.
De staatssecretaris had het verzoek afgewezen omdat appellant niet had aangetoond dat er een oorzakelijk verband bestond tussen het onrechtmatige besluit en de door hem gestelde schade. De rechtbank had dit standpunt bevestigd en het beroep ongegrond verklaard op grond van het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW Pro.
Appellant voerde aan dat het relativiteitsvereiste niet van toepassing was omdat hij rechten ontleent aan een Europees besluit dat de arbeidsmarkttoegang voor gezinsleden van Turkse migranten beschermt. De Afdeling oordeelde echter dat, ook als dit zou gelden, appellant onvoldoende had onderbouwd dat het causaliteitsvereiste was vervuld.
De staatssecretaris stelde dat appellant ook bij correcte toetsing ongewenst verklaard zou zijn vanwege een actuele bedreiging van de openbare orde, waardoor de schade niet aan het besluit kon worden toegerekend. Appellant heeft dit niet voldoende betwist.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens gederfde inkomsten wordt afgewezen wegens ontbreken van causaliteit tussen besluit en schade.