ECLI:NL:HR:2007:AZ8751
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- C.A. Streefkerk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens vertraagde vluchtelingentoelating door Staat
Een Iraanse vrouw vroeg in 1994 toelating als vluchteling aan, maar werd pas in 1999 toegelaten na diverse procedures. Zij vorderde schadevergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen en pensioenschade, stellende dat de Staat onrechtmatig handelde door haar toelating te vertragen.
De rechtbank wees de vordering af op grond van het relativiteitsvereiste van onrechtmatige overheidsdaad (art. 6:163 BW Pro). Het hof kende gedeeltelijk vergoeding toe, maar de Staat stelde cassatie in. De Hoge Raad oordeelde dat de toelating als vluchteling primair humanitaire bescherming biedt tegen vervolging en niet strekt tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen zoals het recht op arbeidsinkomen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, waarmee de schadevordering werd afgewezen. De vrouw werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat procedurele fouten bij toelating niet automatisch leiden tot schadevergoeding voor gemiste arbeidsinkomsten.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de schadevordering af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.