ECLI:NL:RVS:2017:339
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling weigering Nederlanderschap na wijziging geboortedatum in BRP
Wederpartij A verzocht op 10 september 2013 om het Nederlanderschap voor zichzelf en haar dochter B, maar de minister van Veiligheid en Justitie wees dit verzoek bij besluit van 4 september 2014 af. De minister baseerde dit op het feit dat A niet vijf jaar rechtmatig verblijf had op grond van de juiste persoonsgegevens, omdat zij haar geboortedatum in de Basisregistratie Personen (BRP) in 2013 had gewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep van A en B gegrond en vernietigde het besluit van de minister, maar de minister ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de wijziging van de geboortedatum geen minieme wijziging was zoals bedoeld in de werkinstructie, omdat het verschil in geboortedatum twee jaar bedroeg en A bewust had gezwegen over de juiste datum sinds haar binnenkomst in Nederland in 1998. Hierdoor begon de termijn van vijf jaar rechtmatig verblijf opnieuw te lopen vanaf de datum van wijziging in 2013, waardoor deze termijn bij het verzoek nog niet was verstreken.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat B, die meerderjarig was ten tijde van het besluit, niet in aanmerking kwam voor medenaturalisatie op grond van artikel 11 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van A en B ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van wederpartij A en B tegen de weigering van het Nederlanderschap wordt ongegrond verklaard.