ECLI:NL:RVS:2017:3614
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
De vreemdeling had een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd die op 1 oktober 2014, aangevuld op 24 juli 2015, door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd ingetrokken. Tevens werd tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep op 20 juni 2017 ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek en constateerde dat de geplande uitzetting op 28 december 2017 was geannuleerd. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang dat vereist is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Bovendien was onduidelijk of en wanneer de uitzetting alsnog zou plaatsvinden. De voorzieningenrechter ging ervan uit dat de vreemdeling tijdig geïnformeerd zal worden indien de uitzetting alsnog wordt uitgevoerd.
Gezien het ontbreken van spoedeisend belang werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos op 28 december 2017.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.