ECLI:NL:RBDHA:2021:16914
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening verblijf bij partner wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker, van Turkse nationaliteit, heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van verblijf bij partner. Deze aanvraag is door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting en de plicht Nederland te verlaten op te schorten.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker niet is verschenen op de zitting en ook zijn gemachtigde niet. Verzoeker werd vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht. Uit eerdere besluiten bleek dat verzoeker niet voldeed aan de toelatingsvoorwaarden en dat het rechtmatig verblijf al was geëindigd door een terugkeerbesluit uit 2019.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang omdat er geen concrete uitzettingsdatum bekend was en het treffen van een voorziening op dit moment niet noodzakelijk was. Ook was het besluit niet evident onrechtmatig omdat de aanvraag onvoldoende was onderbouwd en geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.