ECLI:NL:RVS:2017:699
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- N. Verheij
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening voorschotten kindgebonden budget en huurtoeslag bij intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht
In deze zaak heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget en huurtoeslag voor 2014 aan appellante herzien omdat de verblijfsvergunning van haar toeslagpartner met terugwerkende kracht was ingetrokken. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) appellante geen aanspraak had op deze toeslagen.
Appellante voerde aan dat deze bepaling niet van toepassing is omdat haar toeslagpartner ten tijde van het ontvangen van de voorschotten een geldige verblijfsstatus had en dat het onderscheid in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro. De rechtbank verwierp deze argumenten en stelde dat het onderscheid gebaseerd is op redelijke en objectieve gronden.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en overweegt dat het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000 een legitiem doel dient door te voorkomen dat niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen aanspraak maken op collectieve voorzieningen. De door appellante aangevoerde bijzondere omstandigheden zijn onvoldoende om artikel 9, tweede lid, van de Awir buiten toepassing te laten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de toeslagen bevestigd.