ECLI:NL:RVS:2017:812

Raad van State

Datum uitspraak
29 maart 2017
Publicatiedatum
29 maart 2017
Zaaknummer
201603187/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
  • A.B.M. Hent
  • N.S.J. Koeman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WoaArt. 6:22 AwbArt. 8 Wet lidmaatschap koninklijk huisArt. 35 Code Civil
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek inlijving Franse adel in Nederlandse adel bevestigd met griffierechtvergoeding

De appellant verzocht om inlijving in de Nederlandse adel op grond van Franse adeldom, maar de minister wees dit af omdat Frankrijk geen vergelijkbaar adelsstatuut heeft. De rechtbank onderschreef dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond. De appellant stelde dat de verschillen niet essentieel zijn en dat eerdere inlijvingen van buitenlandse adel dit tegenspreken.

De Raad van State oordeelt dat het Nederlandse en Franse adelsstatuut wezenlijke verschillen vertonen, zoals het ontbreken van verheffing en verschillen in vererving van titels. Hierdoor is Frankrijk geen staat met een vergelijkbaar adelsstatuut. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eerdere inlijvingen op basis van andere buitenlandse adelsstatuten plaatsvonden en de titel Prins van Oranje een Nederlandse titel is.

Wel oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de minister te gelasten het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden, omdat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het griffierecht betreft en bevestigd voor het overige. De minister wordt gelast het griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: Verzoek tot inlijving Franse adel afgewezen, maar minister gelast vergoeding griffierecht.

Uitspraak

201603187/1/A3.
Datum uitspraak: 29 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 april 2016 in zaak nr. 15/4351 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2015 heeft de minister een verzoek van [appellant] om inlijving in de Nederlandse adel afgewezen.
Bij besluit van 2 september 2015 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2017, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C.A. Geleijnse, advocaat te Den Haag, is verschenen. Voorts zijn aan de kant van de minister mr. J.C.M. Haring en mr. M.R.M.M. Scheidius, secretaris van de Hoge Raad van Adel, verschenen.
Overwegingen
1.    Op 1 januari 2015 heeft [appellant], naar gesteld van Franse adeldom, verzocht om inlijving in de Nederlandse adel krachtens artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet op de adeldom (hierna: de Woa). De minister heeft dit verzoek bij het besluit van 12 juni 2015 afgewezen, omdat Frankrijk volgens hem niet een met het Nederlandse vergelijkbaar adelsstatuut heeft en reeds hierom niet aan de vereisten voor inlijving wordt voldaan. Bij het besluit van 2 september 2015 heeft de minister dit besluit gehandhaafd.
2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de minister heeft onderschreven dat Frankrijk niet een met het Nederlandse vergelijkbaar adelsstatuut heeft. Volgens hem is de door de rechtbank van belang geachte mogelijkheid in het Nederlandse adelsstatuut van verheffing niet een essentieel verschil met het Franse, dat die mogelijkheid niet kent. Verheffing is in Nederland immers alleen voor leden van het koninklijk huis mogelijk. Voorts is het door de rechtbank van belang geachte verschil in de regels over vererving van adeldom geen essentieel verschil, omdat veel adellijke titels in Nederland, zoals in Frankrijk alle titels, na het overlijden van de titelhouder op basis van eerstgeboorterecht overgaan. Volgens [appellant] blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Woa voorts dat de minister de term 'vergelijkbaar' te beperkt heeft uitgelegd. Hij wijst hierbij op enige van het Nederlandse adelsstatuut verschillende buitenlandse adelsstatuten die volgens hem eerder als vergelijkbaar zijn erkend. De rechtbank heeft ten slotte ten onrechte artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) toegepast, omdat die bepaling geen grondslag biedt voor vergoeding van het betaalde griffierecht, aldus [appellant].
2.1.    Artikel 6:22 van Pro de Awb luidt: "Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld."
2.2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het besluit van 2 september 2015 ondeugdelijk heeft gemotiveerd, omdat hij de twee volgens de rechtbank essentiële verschillen tussen het Nederlandse en het Franse adelsstatuut eerst in zijn verweerschrift heeft vermeld, en heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd. Nu [appellant] niet het oordeel van de rechtbank bestrijdt dat hij door het geconstateerde gebrek niet is benadeeld, mocht de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeren. De rechtbank heeft echter niet onderkend dat zij de minister gelet op het door haar geconstateerde gebrek had moeten gelasten het door [appellant] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
In zoverre slaagt het betoog.
2.3.    Artikel 2, derde lid, van de Woa, luidt: "Inlijving in de Nederlandse adel kan slechts plaatsvinden ten aanzien van personen wier geslacht behoort tot de wettelijk erkende adel van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut en die het verzoek tot inlijving hebben gedaan
[…]
b. te zamen met het afleggen van de verklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie
[…]."
2.4.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Woa (Kamerstukken II, 1991/92, 21 458, nr. 5, p. 9) kan worden afgeleid dat onder 'adelsstatuut' wordt verstaan het geheel van regels waaronder men adeldom verwerft, doorgeeft aan zijn nageslacht en eventueel verliest. Voorts kan uit die geschiedenis worden afgeleid dat het vereiste van een vergelijkbaar adelsstatuut inhoudt dat tussen beide adelsstatuten geen essentiële verschillen mogen bestaan.
2.5.    Uit de besluiten van 12 juni en 2 september 2015 en de door de minister op die besluiten in beroep en hoger beroep gegeven toelichting leidt de Afdeling af dat er volgens de minister essentiële verschillen bestaan die maken dat het Nederlandse adelsstatuut niet met het Franse vergelijkbaar is. Een verschil ligt in de mogelijkheid om nieuwe adellijke titels te verlenen. Dit is in Nederland mogelijk via inlijving van buitenlandse adel of verheffing van leden van het koninklijk huis. In Frankrijk, een republiek, kan het Franse Ministerie van Justitie op grond van artikel 35, tweede lid, van de Code Civil slechts bestaande adellijke titels registreren. Deze registratie geeft de houder van de titel niet meer dan het recht om de titel op overheidsdocumenten aan zijn naam toe te voegen. Verlening van nieuwe adellijke titels is in Frankrijk niet mogelijk. Inlijving van buitenlandse adeldom bij naturalisatie, zoals [appellant] in Nederland wenst, is in Frankrijk derhalve ook niet mogelijk. Ook verschillend is de wijze waarop adeldom aan het nageslacht wordt doorgegeven. In Nederland gaat de adeldom bij leven over op alle kinderen. In Frankrijk gaat de adellijke titel bij overlijden over op de oudste zoon en verkrijgen de andere kinderen geen adeldom.
2.6.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat tussen het Nederlandse en Franse adelsstatuut essentiële verschillen bestaan en dat Frankrijk daarom niet een met het Nederlandse vergelijkbaar adelsstatuut heeft. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister het begrip 'vergelijkbaar' te beperkt heeft uitgelegd. De door [appellant] vermelde verschillen tussen het Nederlandse adelsstatuut en de adelsstatuten van Denemarken, Finland, Spanje onderscheidenlijk Zweden, vanuit welke landen eerder in de Nederlandse adeldom is ingelijfd, leiden niet tot de conclusie dat de minister het Franse adelsstatuut als vergelijkbaar had moeten aanmerken. Of een buitenlands adelsstatuut met het Nederlandse vergelijkbaar is, moet immers van geval tot geval worden bekeken. Uit het door [appellant] aangevoerde kan niet worden afgeleid dat voormelde buitenlandse statuten op dezelfde wijze van het Nederlandse verschillen als het Franse. Dat in Nederland sommige adellijke titels op basis van het eerstgeboorterecht overgaan, doet er voorts niet aan af dat, zoals door de minister toegelicht in zijn verweerschrift in hoger beroep, in Nederland, anders dan in Frankrijk, alle kinderen bij leven van de houder van de titel bij hun geboorte adeldom verwerven.
In zoverre faalt het betoog.
3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of de adel in Frankrijk thans nog wettelijk wordt erkend en of hij van Franse adel is.
3.1.    De minister heeft het verzoek om inlijving reeds op grond van het niet vergelijkbaar zijn van het Franse adelsstatuut afgewezen en is niet toegekomen aan beoordeling van de overige vereisten voor inlijving. Nu de rechtbank het standpunt van de minister over het niet vergelijkbaar zijn, heeft onderschreven, behoefde zij de door [appellant] bedoelde beoordeling evenmin te verrichten.
Het betoog faalt.
4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen. Volgens hem is zijn geval vergelijkbaar met de inlijving van de familie De Bourbon de Parme in 1996, omdat deze op basis van Franse adeldom is geschied. Voorts wijst hij op de verlening van de titel Prins (Prinses) van Oranje in 2002, die volgens hem op inlijving vanuit Frankrijk duidt.
4.1.    De minister heeft zich ten aanzien van de familie De Bourbon de Parme onder verwijzing naar het aan de inlijving van de leden van deze familie ten grondslag gelegde advies van de Hoge Raad van Adel op het standpunt gesteld dat de inlijving op basis van Spaanse adeldom is geschied. Hetgeen [appellant] aanvoert, biedt geen grond voor de conclusie dat de inlijving daarentegen op basis van Franse adeldom is geschied. De titel Prins (Prinses) van Oranje is een Nederlandse titel die krachtens artikel 8 van Pro de Wet lidmaatschap koninklijk huis aan de vermoedelijke troonopvolger wordt verleend. Van inlijving vanuit Frankrijk is hierbij derhalve geen sprake. De rechtbank heeft daarom terecht het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel verworpen.
Het betoog faalt.
5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank de minister niet heeft gelast aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden. De Afdeling zal de minister alsnog gelasten dat griffierecht te vergoeden. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 april 2016 in zaak nr. 15/4351, voor zover de rechtbank de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet heeft gelast aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 voor de behandeling van het beroep te vergoeden;
III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV.    gelast dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Hartsuiker
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017
620.