ECLI:NL:RVS:2017:842
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake last onder dwangsom exploitatie prostitutiebedrijf
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 6 mei 2015 aan appellant een last onder dwangsom op om de exploitatie van een prostitutiebedrijf aan een locatie in Amsterdam te beëindigen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit. Het college trok het besluit op 8 september 2015 in, maar verklaarde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college ten onrechte zijn bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard en dat de rechtbank had miskend dat zijn bezwaar ook betrekking had op het intrekkingsbesluit. Tevens voerde appellant aan dat het college onterecht uitging van zijn inschrijving in de Basisregistratie Personen als bewijs van hoofdverblijf op het adres.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant wel belang had bij de beoordeling van zijn bezwaar en dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. Verder stelde de Afdeling vast dat hoewel het besluit onrechtmatig was, deze onrechtmatigheid niet aan het college te wijten was omdat het college mocht uitgaan van de inschrijving in de Basisregistratie Personen. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het bezwaar ongegrond en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het bezwaar ongegrond verklaard en het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.