ECLI:NL:RVS:2017:873

Raad van State

Datum uitspraak
16 maart 2017
Publicatiedatum
29 maart 2017
Zaaknummer
201701893/3/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen leden meervoudige kamer Raad van State

De Partij Voor Alle Zaken (PVAZ) verzocht op 16 maart 2017 om wraking van drie staatsraden van de meervoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De staatsraden berustten niet in het verzoek. Tijdens de openbare zitting was de PVAZ niet aanwezig en de staatsraden maakten geen gebruik van het recht om gehoord te worden.

De Afdeling bestuursrechtspraak wees het wrakingsverzoek af omdat het niet gebaseerd was op feiten of omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid van de staatsraden konden aantasten. Het betoog van de PVAZ richtte zich op een algemene stelling over de behandeling van haar beroepschriften en de onafhankelijkheid van de Afdeling, zonder specifieke aanwijzingen tegen de individuele rechters.

Daarnaast werd het verzoek om wraking tegen de Afdeling als zodanig niet als een wrakingsverzoek in de zin van de wet aangemerkt en daarom niet in behandeling genomen. De Afdeling zag ook geen grond om de behandeling over te dragen aan het Internationaal Gerechtshof.

Ten slotte oordeelde de Afdeling dat de PVAZ haar wrakingsbevoegdheid oneigenlijk gebruikte en bepaalde zij op grond van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb dat een volgend gelijksoortig wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de staatsraden is afgewezen en een volgend gelijksoortig verzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

201701893/3/A2.
Datum uitspraak: 16 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van:
de Partij Voor Alle Zaken (hierna: de PVAZ), gevestigd te Harderwijk,
verzoekster,
om toepassing van artikel 8:15 van Pro de Awb.
Procesverloop
Bij elektronisch verzonden bericht, ingekomen bij de Raad van State op 16 maart 2017, heeft de PVAZ verzocht om wraking van mr. C.J. Borman, mr. H.G. Lubberdink en mr. B.P. Vermeulen (hierna: de staatsraden) als leden van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak.
De staatsraden hebben niet in de wraking berust.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op 16 maart 2017 ter openbare zitting aan de orde gesteld, waar de PVAZ niet is verschenen. De staatsraden hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Beslissing
Bij mondelinge beslissing van 16 maart 2017 heeft de Afdeling het verzoek om toepassing van artikel 8:15 van Pro de Awb afgewezen voor zover het is gericht tegen de staatsraden. De Afdeling heeft het verzoek voor het overige buiten behandeling gelaten. Overwegingen
Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen.
1.    Artikel 8:15 van Pro de Awb luidt:
"Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden."
2.    Artikel 8:18, vierde lid, van de Awb luidt: "In geval van misbruik kan de bestuursrechter bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt."
3.    Het verzoek berust, zakelijk weergegeven, op het betoog dat de beroepschriften van de PVAZ snel en onzorgvuldig worden afgehandeld. Voorts heeft de PVAZ betoogd dat de Afdeling niet onafhankelijk is en dat de behandeling van het wrakingsverzoek daarom aan het Internationaal Gerechtshof dient te worden overgedragen.
4.    Voorop gesteld dient te worden dat de PVAZ aan haar verzoek dezelfde dan wel nagenoeg gelijke feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd als aan haar eerdere verzoek om wraking in de zaak, waarop eerder, op 15 maart 2017 is beslist (ECLI:NL:RVS:2017:723).
5.    Het verzoek om wraking van de staatsraden wordt afgewezen. Het betoog van de PVAZ kan, wat daarvan overigens ook zij, niet leiden tot toewijzing van het verzoek om wraking. Het ziet niet op feiten of omstandigheden die verband houden met de rechterlijke onpartijdigheid van de staatsraden, maar is een algemene, niet op de persoon van de staatsraden toegespitste, stelling. Het is daarom geen feit of omstandigheid waardoor de rechterlijke onpartijdigheid van de staatsraden schade zou kunnen lijden.
6.    Voor zover het verzoek van de PVAZ is gericht tegen de Afdeling als zodanig, wordt het in zoverre niet aangemerkt als een verzoek om wraking in de zin der wet en kan het in zoverre om die reden niet in behandeling worden genomen. Verwezen wordt naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2017.
7.    De Afdeling ziet geen aanleiding om de behandeling van het verzoek om wraking over te dragen aan het Internationaal Gerechtshof, omdat de Nederlandse wet- en regelgeving, in het bijzonder de Awb, daarin niet voorziet.
8.    De Afdeling is voorts van oordeel dat de PVAZ, mede gezien hetgeen hiervoor onder 3. en 4. is vermeld, de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen oneigenlijk gebruikt. Daarom zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepalen dat een volgend verzoek om wraking met dezelfde strekking als het onderhavige in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Hagen w.g. Yildiz
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2017
594.