ECLI:NL:RVS:2018:1114

Raad van State

Datum uitspraak
4 april 2018
Publicatiedatum
4 april 2018
Zaaknummer
201706807/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.T.J.M. Jurgens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:15 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:13 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake vergoeding extra uren rechtsbijstand

Bij besluit van 5 december 2016 wees de raad een aanvraag van appellant B om vergoeding van extra uren rechtsbijstand voor appellant A af. Hiertegen maakten appellant A en B bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant A niet-ontvankelijk omdat het belang was vervallen, aangezien de rechtsbijstand was verleend en de zaak was beëindigd zonder financiële gevolgen voor appellant A.

Appellant B voerde aan dat hij het beroep namens zichzelf had ingesteld, maar de rechtbank stelde vast dat het beroepschrift ondubbelzinnig namens appellant A was ingediend. De Raad van State bevestigt dat appellant B geen beroep heeft ingesteld binnen de wettelijke termijn en verklaart zijn hoger beroep niet-ontvankelijk.

Het hoger beroep van appellant A is ongegrond omdat hij de gronden van niet-ontvankelijkheid niet heeft bestreden. De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant B wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep van appellant A wordt ongegrond verklaard; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

201706807/1/A2.
Datum uitspraak: 4 april 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], kantoorhoudend te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2017 in zaak nr. 17/1355 in het geding tussen:
[appellant A]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2016 heeft de raad een aanvraag van [appellant B] om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellant A] afgewezen.
Bij besluit van 20 januari 2017 heeft de raad het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 juli 2017 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2018, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, is verschenen.
Overwegingen
1.    [appellant B] heeft de raad bij brief van 14 november 2016 gevraagd om vergoeding van extra uren rechtsbijstand. De raad heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 5 december 2016, welke afwijzing de raad heeft gehandhaafd bij besluit op bezwaar.
2.    De rechtbank heeft het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2651, heeft de rechtbank overwogen dat het belang van een rechtzoekende bij een procedure als hier aan de orde vervalt indien de rechtsbijstand, waarvoor vergoeding van extra uren was aangevraagd, is verleend en de zaak is beëindigd en het besluit op de desbetreffende aanvraag voor de betrokken rechtzoekende geen financiële of andere gevolgen heeft. De rechtbank heeft overwogen dat de procedure waarvoor de extra uren zijn aangevraagd inmiddels is beëindigd en dat [appellant B] niet heeft aangevoerd dat het al dan niet toekennen van de gevraagde extra uren voor [appellant A] financiële of andere gevolgen heeft. Daarom heeft [appellant A] geen belang meer bij het door hem ingestelde beroep. De rechtbank is [appellant B] niet gevolgd in zijn betoog dat hij het beroep namens zichzelf heeft ingediend. Uit het beroepschrift volgt ondubbelzinnig dat het beroep is ingesteld namens [appellant A]. Dat [appellant B] eigenlijk had bedoeld om beroep namens zichzelf in te stellen, kan hieruit niet worden opgemaakt, aldus de rechtbank.
3.    [appellant B] betoogt dat de rechtbank het ingestelde beroep ten onrechte niet heeft aangemerkt als namens hem ingesteld. Hij voert aan dat het hem na de ontvangstbevestiging van het beroepschrift door de griffier van de rechtbank duidelijk werd dat hij in het beroepschrift een onjuiste tenaamstelling had gebezigd. Uit die ontvangstbevestiging leidde hij echter af dat de griffier dit reeds had begrepen en gecorrigeerd, nu het onderwerp daarvan luidde: 'het beroep van [appellant B] te [plaats]'. Ook latere brieven van de griffier vermeldden steeds als onderwerp: 'het beroep van [appellant B] te [plaats]'. De rechtbank heeft volgens [appellant B] niet onderkend dat ondubbelzinnig is gebleken dat de griffier de bedoeling heeft gehad de procedure te voeren op naam van [appellant B].
3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2132) brengt de in artikel 8:1, gelezen in verbinding met artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde regeling voor het instellen van beroep met zich dat de positie van degene die beroep heeft ingesteld, in beginsel niet door een ander kan worden overgenomen. [appellant B] heeft slechts namens [appellant A] binnen de daarvoor geldende termijn beroep ingesteld tegen het besluit van 20 januari 2017. [appellant B] bestrijdt niet dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, uit het beroepschrift ondubbelzinnig volgt dat het beroep is ingesteld namens [appellant A] en dat daaruit niet kan worden opgemaakt dat [appellant B] eigenlijk had bedoeld om beroep namens zichzelf in te stellen. De rechtbank is er om die reden terecht vanuit gegaan dat [appellant B] geen beroep heeft ingesteld. Anders dan [appellant B] aanvoert, maakt het onderwerp dat de griffier van de rechtbank in zijn brieven heeft gebruikt, dit niet anders. De rechtbank heeft terecht overwogen dat gelet op artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb de tekst van het beroepschrift leidend is voor het antwoord op de vraag namens wie beroep is ingesteld. Het lag dan ook op de weg van [appellant B] om, op het moment dat het hem duidelijk werd dat hij een onjuiste tenaamstelling had gebezigd, dit uitdrukkelijk, binnen de beroepstermijn, aan de rechtbank te berichten.
Het betoog faalt.
3.2.    Uit het hiervoor, onder 3.1, overwogene volgt dat [appellant B] geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 6:13 van Pro de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van Pro de Awb naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. Op grond van artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. Nu niet is gebleken dat [appellant B] niet redelijkerwijs kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld, moet het hoger beroep, voor zover door [appellant B] ingesteld, niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.    Met hetgeen [appellant A] in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft hij de gronden waarop de rechtbank zijn beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard niet bestreden. Reeds daarom kan zijn betoog niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
5.    Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant A], is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk;
II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D.J. van Heijst, griffier.
w.g. Jurgens    w.g. Van Heijst
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2018
787.