ECLI:NL:RVS:2018:1114
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake vergoeding extra uren rechtsbijstand
Bij besluit van 5 december 2016 wees de raad een aanvraag van appellant B om vergoeding van extra uren rechtsbijstand voor appellant A af. Hiertegen maakten appellant A en B bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant A niet-ontvankelijk omdat het belang was vervallen, aangezien de rechtsbijstand was verleend en de zaak was beëindigd zonder financiële gevolgen voor appellant A.
Appellant B voerde aan dat hij het beroep namens zichzelf had ingesteld, maar de rechtbank stelde vast dat het beroepschrift ondubbelzinnig namens appellant A was ingediend. De Raad van State bevestigt dat appellant B geen beroep heeft ingesteld binnen de wettelijke termijn en verklaart zijn hoger beroep niet-ontvankelijk.
Het hoger beroep van appellant A is ongegrond omdat hij de gronden van niet-ontvankelijkheid niet heeft bestreden. De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant B wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep van appellant A wordt ongegrond verklaard; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.