ECLI:NL:RVS:2018:113
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing VOG-aanvraag taxichauffeur wegens eerdere veroordelingen
De staatssecretaris weigerde op 17 februari 2016 de aanvraag van appellant voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart vanwege eerdere veroordelingen die binnen de terugkijktermijn van vijf jaar vielen en een risico voor de samenleving vormden. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht het objectieve criterium toepaste, waarbij de strafbare feiten, waaronder rijden onder invloed en het besturen van een voertuig zonder geldig rijbewijs, een belemmering vormen voor de functie van taxichauffeur. De omstandigheden waaronder de feiten plaatsvonden en het tijdsverloop deden hieraan niet af.
Ook het beroep op de onschuldpresumptie en artikel 6 EVRM Pro faalde, omdat appellant reeds door de strafrechter was veroordeeld en de weigering van de VOG een preventief bestuursrechtelijk instrument betreft. Het subjectieve criterium leidde eveneens niet tot een andere uitkomst; de belangenafweging van de staatssecretaris was redelijk en proportioneel, ondanks dat andere instanties vertrouwen in appellant hadden.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag wegens eerdere veroordelingen en het risico voor de samenleving.