ECLI:NL:RVS:2018:1312
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
De vreemdeling is op 14 juli 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen de voortzetting van deze bewaring heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep en het verzoek om schadevergoeding op 9 januari 2018 niet-ontvankelijk verklaarde.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding. De Raad van State beoordeelde of het hogerberoepschrift tijdig was ingediend. Hoewel de wet geen termijn voor hoger beroep tegen voortduren van vrijheidsontnemende maatregelen voorschrijft, geldt op grond van de Awb en de Vreemdelingenwet 2000 een termijn van een week als redelijke maatstaf.
Het hogerberoepschrift werd pas zeven weken na de uitspraak van de rechtbank ingediend, wat onredelijk laat werd geoordeeld. Pogingen tot verzet tegen de uitspraak en latere correspondentie konden dit niet rechtvaardigen. Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke late indiening.