ECLI:NL:RVS:2020:1207

Raad van State

Datum uitspraak
13 mei 2020
Publicatiedatum
12 mei 2020
Zaaknummer
202002471/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 69 Vw 2000Art. 84 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in vreemdelingenbewaring

De vreemdeling werd op 5 februari 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde op 9 april 2020 het beroep tegen het voortduren van de bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat tegen het voortduren van de maatregel geen hoger beroep mogelijk is volgens artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar onder bijzondere omstandigheden kan de Afdeling toch beoordelen of het hoger beroep in behandeling kan worden genomen. Het hogerberoepschrift moest binnen een week na bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank worden ingediend, uiterlijk 16 april 2020.

Het hogerberoepschrift werd na deze termijn ontvangen. De door de vreemdeling aangevoerde redenen voor de late indiening werden niet geaccepteerd, aangezien de rechtbank de uitspraak op 9 april 2020 digitaal beschikbaar had gesteld, waardoor voldoende gelegenheid was om tijdig hoger beroep in te stellen.

Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

202002471/1/V3.
Datum uitspraak: 13 mei 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 april 2020 in zaak nr. NL20.7331 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 9 april 2020 heeft de rechtbank het tegen het voortduren van de bewaring door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Volkers, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1.    De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel (artikel 96 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
2.    Onder omstandigheden kan de Afdeling beoordelen of toch reden is om een hoger beroep in behandeling te nemen. Het hogerberoepschrift mag dan alleen niet onredelijk laat worden ingediend (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1312). Het hogerberoepschrift is, als het om een inbewaringstelling gaat, niet onredelijk laat ingediend als dat binnen de termijn van één week na bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank is gebeurd (artikel 69, derde lid, van de Vw 2000). Die termijn eindigde op 16 april 2020. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat de vreemdeling heeft aangevoerd is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen, want dat de uitspraak niet meteen bekend was bij zijn gemachtigde komt voor risico van de vreemdeling. Hij heeft namelijk niet bestreden dat de rechtbank de uitspraak op 9 april 2020 in het digitale dossier heeft geplaatst, zodat zijn gemachtigde voldoende gelegenheid heeft gehad om namens hem op tijd hoger beroep in te stellen.
3.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2020
47-922.