ECLI:NL:RVS:2018:1321
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep op afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 maart 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling ongeloofwaardig werden geacht. De vreemdeling, afkomstig uit Myanmar en behorend tot de Rohingya bevolkingsgroep, voerde beroep aan tegen deze afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de staatssecretaris de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond had afgewezen op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet. De vreemdeling had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk de opgegeven nationaliteit en herkomst had, mede doordat hij geen relevante identificerende documenten overlegde, innerlijke tegenstrijdigheden in de documenten aanwezig waren en hij een taal sprak die niet overeenkomt met de officiële taal van Myanmar.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 20 april 2018.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.