ECLI:NL:RVS:2018:1420
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing uitzettingsuitstel vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 4 april 2017 het verzoek van de vreemdeling af om op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting niet zou worden uitgevoerd. Na bezwaar en beroep verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De staatssecretaris verzocht vervolgens om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat gezien de wettelijke termijn van negentien weken voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar en het ontbreken van spoedeisende omstandigheden, er geen reden was om de voorlopige voorziening toe te kennen.
Het verzoek werd daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toerekenbaar waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.