ECLI:NL:RVS:2018:1479
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent woonprobleem en verwijtbaar handelen
Appellante, sinds 2013 vanuit Israël in Nederland woonachtig, verzocht om een urgentieverklaring voor een zelfstandige woning op medische gronden vanwege ADHD en OCD, waardoor samenwonen met huisgenoten problematisch zou zijn. Het college wees de aanvraag af omdat het voorrangsbeleid zich richt op gezinnen met kinderen en woningzoekenden met ernstige medische problemen, en appellant geen urgent huisvestingsprobleem had. Tevens was er sprake van verwijtbaar handelen omdat appellant zich vestigde zonder geschikte woonruimte.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond dat appellant in staat moest worden geacht een kamer te vinden en dat haar problemen niet uitsluitend door verhuizing naar een zelfstandige woning konden worden opgelost. Ook oordeelde de rechtbank dat het college terecht geen hardheidsclausule toepaste na advies van de GGD-arts.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte zelf een medisch oordeel gaf en onvoldoende rekening hield met een psychiaterverklaring. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college en rechtbank het medisch advies van de GGD-arts terecht als uitgangspunt namen en dat de psychiaterverklaring niet tot een ander oordeel leidde. Het verzoek om een eigen deskundige te benoemen werd afgewezen.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.