ECLI:NL:RVS:2018:1513
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderopvangtoeslag 2013 zonder schriftelijke overeenkomst en onvoldoende betalingsbewijs
Appellante maakte in 2013 gebruik van buitenschoolse opvang bij een door haar mede-geëigende instelling en ontving voorschotten kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst stelde haar recht op toeslag definitief vast op nihil omdat zij voor de periode 1 januari tot en met 14 april 2013 geen schriftelijke overeenkomst kon overleggen en onvoldoende bewijs leverde dat alle kosten waren voldaan.
De rechtbank oordeelde dat appellante pas vanaf 15 april 2013 aanspraak kon maken op toeslag en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij de kosten volledig had betaald, mede omdat de contante betalingen niet konden worden bevestigd en de bankbetalingen te laag waren. Appellante stelde dat zij een overeenkomst uit 2012 had en dat de overeenkomst uit 2013 met terugwerkende kracht gold, maar kon dit niet onderbouwen.
De Raad van State stelde vast dat volgens de wet een schriftelijke overeenkomst vereist is en dat appellante deze niet had overgelegd voor de betwiste periode. Ook was zij niet geslaagd in het bewijs dat zij de kosten volledig had voldaan, ondanks het overleggen van facturen en kasadministratie. De rechtbank had bovendien ten onrechte zonder nadere zitting uitspraak gedaan, wat de Afdeling corrigeerde door het hoger beroep gegrond te verklaren en de zaak zelf inhoudelijk te beoordelen.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de vaststelling van de toeslag op nihil en veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. Het griffierecht werd aan appellante terugbetaald.
Uitkomst: De kinderopvangtoeslag over 2013 wordt definitief vastgesteld op nihil wegens het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst en onvoldoende bewijs van betaling.