ECLI:NL:RVS:2018:1631
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van belanghebbendheid bij verlening jachtakte en gevolgen jachthuurovereenkomst
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland die het bezwaar tegen de verlening van een jachtakte aan belanghebbende ongegrond verklaarde. De korpschef had de jachtakte verleend voor het seizoen 2016-2017 en het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende zou zijn.
Appellant is eigenaar van percelen waarop belanghebbende het jachtrecht uitoefent op basis van een jachthuurovereenkomst die door de vorige eigenaar was gesloten. Appellant was bij de eigendomsovergang niet op de hoogte van deze overeenkomst en wenst geen jacht op haar percelen. De rechtbank oordeelde dat het belang van appellant niet rechtstreeks bij het besluit tot verlening van de jachtakte is betrokken, omdat het jachtrecht voortvloeit uit de huurovereenkomst en niet uit de jachtakte zelf.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel. De jachtakte verleent een algemene bevoegdheid om te jagen met een geweer, maar het feitelijke genot van de jacht op de percelen is afhankelijk van de huurovereenkomst. Het belang van appellant om geen jacht op haar percelen te dulden is daardoor een afgeleid belang en niet rechtstreeks geraakt door het besluit. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.