ECLI:NL:RVS:2018:1656
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt vergoeding na onrechtmatige vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 23 februari 2018 werd de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 12 maart 2018 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de nieuwe werkwijze van de staatssecretaris sinds 31 oktober 2017 bij het in bewaring stellen van Dublinclaimanten niet rechtmatig was, zoals eerder vastgesteld in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RVS:2018:1491). Hierdoor werd het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
De Raad van State verklaarde het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond en kende een vergoeding toe voor de periode van 23 februari 2018 tot 6 maart 2018, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt voor de behandeling van het beroep en hoger beroep.
De uitspraak benadrukt het belang van rechtmatige toepassing van vreemdelingenbewaring en bevestigt dat onrechtmatige vrijheidsbeneming leidt tot vergoeding van schade en proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, bewaring onrechtmatig en vergoeding toegekend.