ECLI:NL:RVS:2018:1658
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling werd bij besluit van 23 februari 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 12 maart 2018 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de nieuwe werkwijze die de staatssecretaris sinds 31 oktober 2017 hanteert bij het in bewaring stellen van Dublinclaimanten niet rechtmatig is, zoals eerder vastgesteld in een uitspraak van 2 mei 2018.
Op grond hiervan verklaarde de Afdeling het hoger beroep kennelijk gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het bewaringbesluit alsnog gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel reeds was opgeheven, werd een bevel daartoe achterwege gelaten. De vreemdeling werd een schadevergoeding van €880 toegekend over de periode van 23 februari tot 6 maart 2018.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.503, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd op 18 mei 2018 in het openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en een schadevergoeding toegekend over de periode van bewaring.