ECLI:NL:RVS:2018:1663
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling duurzaamheid en hoogte van middelen van bestaan bij machtiging tot voorlopig verblijf
De vreemdeling, van Turkse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn echtgenote te verblijven. De staatssecretaris wees dit verzoek af vanwege onvoldoende en niet-duurzame inkomsten van de referent, de echtgenote. De vreemdeling stelde dat de staatssecretaris ten onrechte een langere periode dan wettelijk toegestaan hanteerde bij de beoordeling van de duurzaamheid van de inkomsten.
De rechtbank bevestigde het standpunt van de staatssecretaris, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris ten onrechte de duurzaamheid van de inkomsten beoordeelde over een periode langer dan één jaar terug en een half jaar vooruit, zoals bepaald in artikel 3.24b van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Hierdoor werd het eerdere oordeel van de rechtbank vernietigd.
Na herbeoordeling oordeelde de Afdeling dat de referent op het moment van het besluit niet voldeed aan het middelenvereiste, omdat zij slechts vijf maanden voldoende inkomen had, terwijl een aaneengesloten periode van een jaar vereist is. Tevens werd geoordeeld dat de staatssecretaris niet in strijd had gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en dat er geen sprake was van een verboden nieuwe beperking volgens artikel 13 van Pro Besluit nr. 1/80.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de aanvraag mvv afgewezen wegens niet voldoen aan het middelenvereiste.