ECLI:NL:RVS:2018:1762
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar kinderopvangtoeslag 2009 en afwijzing schadevergoeding
In deze zaak heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 7 april 2015, waarbij haar kinderopvangtoeslag over 2009 definitief op nihil werd vastgesteld. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de bezwaartermijn was ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante het bezwaarschrift terecht te laat had ingediend.
Appellante voerde aan dat zij niet verweten kon worden dat zij te laat was, omdat het besluit misleidend was en onduidelijkheid bestond over eerdere besluiten en de terugvordering van voorschotten. De Raad van State oordeelde echter dat het besluit van 7 april 2015 duidelijk was over de mogelijkheid en termijn voor bezwaar, en dat appellante niet zonder meer mocht aannemen dat het besluit geen nadelige gevolgen had.
Verder was het niet relevant dat er een lange periode zat tussen eerdere besluiten en de definitieve vaststelling, noch dat onduidelijkheid bestond over eerdere beslissingen op bezwaar. Ook het verwijzen naar een rapport van de Nationale Ombudsman bood geen grond om het bezwaar alsnog ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn oordeelde de Raad dat de totale duur van de procedure nog binnen de redelijke termijn van vier jaar viel. Daarom werd dit verzoek afgewezen.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag 2009 is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.