ECLI:NL:RVS:2018:190
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 18 oktober 2016 het besluit om de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaarde. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom hij geen gebruik had gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
De Raad stelde dat de staatssecretaris terecht had aangenomen dat de vreemdeling geen duurzame relatie met de man, die een verblijfsvergunning asiel heeft, aannemelijk had gemaakt. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling bij de rechtbank werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.