ECLI:NL:RVS:2018:1934
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand in zaak tegen CBR over rijgeschiktheid
De appellant heeft een toevoeging voor rechtsbijstand aangevraagd voor een beroepsprocedure tegen het besluit van het CBR om zijn rijbewijs te schorsen vanwege een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. De raad wees de aanvraag af omdat het geen zaak betreft waarvoor een advocaat noodzakelijk is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De appellant voerde aan dat de zaak juridisch complex is vanwege de toepassing van het ne bis in idem-beginsel en de interpretatie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en dat hij zonder advocaat zijn standpunt niet adequaat kan onderbouwen. De Raad van State overwoog dat het beroep op het ne bis in idem-beginsel onvoldoende is om de zaak als juridisch complex te kwalificeren en dat de appellant zijn stellingen niet heeft onderbouwd met concrete gegevens.
Verder stelde appellant dat het beleid van de raad willekeurig is omdat in andere juridische kwesties wel toevoeging wordt verleend. De Raad van State oordeelde dat het beleid ruimte laat voor toevoeging bij gemotiveerde complexiteit, maar dat die hier niet is aangetoond. Ten slotte werd een procedurefout aangevoerd over het ontbreken van oproeping van de raad bij de hoorzitting, maar dit werd buiten beschouwing gelaten omdat het betoog niet tijdig was ingebracht.
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand bevestigd.