ECLI:NL:RVS:2018:1985
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening machtiging voorlopig verblijf
De vreemdeling en haar minderjarig kind hadden bij besluiten van 24 januari 2017 een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Het bezwaar tegen deze besluiten werd eveneens ongegrond verklaard op 14 september 2017. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling op 27 maart 2018 ongegrond.
Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State. De termijn voor het indienen van het hogerberoepschrift bedroeg vier weken vanaf de dag na verzending van de uitspraak, welke op 30 maart 2018 was verzonden. De vreemdeling diende het beroepschrift echter pas op 1 mei 2018 in, waardoor het te laat was. Er werden geen omstandigheden aangevoerd die het verzuim konden rechtvaardigen.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 14 juni 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift.